1945-1966

Bloei en Terugval

Mei 1945, bevrijding: eindelijk kon de jazz in Nederland weer bovengronds komen. Dat gebeurde met veel enthousiasme.

Swingende opbouw

Vooral in steden als Den Haag, Amsterdam, Haar­lem en Zaandam begon het jazzleven zich stevig te ontwikkelen.

De Dutch Swing College Band gaf de stoot tot het succes van de oudestijl-jazz in de periode 1946-1966. Direct na de bevrijding trad de groep op als ‘The Quartet of the Dutch Swing College onder leiding van Frans Vink Jr.’; toen het aantal musici de vier overtrof, ging de groep verder onder de naam ‘The Orchestra of the Dutch Swing College’.

In de oorlogsjaren hadden Peter Schilperoort (1919-1990) en zijn makkers in Den Haag wat ondergrondse Swing-muziek geproduceerd. Na de oprichting van de Dutch Swing College Club in 1944 besloten klarinettist Schilperoort en pianist Frans Vink (1918-1967) een huisorkest te beginnen, waarmee de kiem werd gelegd voor de latere DSC. Het orkest won snel aan populariteit, trok al spoedig over de grens om ook in België met veel enthousiasme te worden ontvangen, speelde vanaf 1948 voor de radio, en registreerde op 10 juli 1948 zijn eerste 78-toerenplaat Strange Peach/Apex Blues voor Decca. Met musici als Kees van Dorsser (tp), Wim Kolstee (tb), Schilperoort (kl, bars), Dim Kesber (kl, as), Joop Schrier (p), Dick Bakker en wat later Joop van Leeuwen (gtr, bjo), Chris Bender en later Bob van Oven (b), en Arie Merkt (drs) bouwde de band een internationale reputatie op.

Op de dag van de bevrijding, 5 mei 1945, trad de Dutch Swing College Band voor het eerst op.

In 1949 speelde Sidney Bechet als gast mee met de Dutch Swing College (Bellevue, Amsterdam) en in 1951 zette de band twee stukken op de plaat met deze beroemde Amerikaanse sopraansaxofonist. Een jaar later was het orkest al op de televisie te bewonde­ren. In 1955 zag het er even donker uit toen Schilperoort besloot het orkest te verlaten om bij Fokker te gaan werken. Pianist Joop Schrier (1918-1995) nam de leiding van de band over en met trompettist Wybe Buma (1924-1998), het zakelijk inzicht van banjospeler Arie Lighthart (1924-1997), het drumwerk van André Westendorp (1926-1987) en wat later het klarinet- en saxofoonspel van Jan Morks (1925-1984) bleef de band succesvol. Dat bleek onder meer uit de eerste live-lp die op 13 en 19 september 1955 in het Scheve­ningse Kurhaus werd opgenomen. Ook de platen met de Britse zangeres Neva Raphaello vonden gretig aftrek. In 1959 kwam Schilperoort terug bij de DSC; het orkest werd vanaf dat moment volledig beroeps en zou overal ter wereld triomfen vieren.

Naast de Dutch Swing College Band waren er de in 1946 opge­richtte Dixieland Pipers onder leiding van pianist Eric Krans (1923-1975), een broeinest van jong talent. Dan was er de in 1949 opgerichte Down Town Jazz Band onder leiding van pianist Roefie Hueting (die van mening was dat de DSC véél te modern speelde). Beide orkesten maakten talrijke platen, de Dixieland Pipers in een bezetting met twee trompetten en een zeer authentiek repertoire. De Down Town Jazz Band maakte vooral furore door in 1955 de AVRO Jazzcompe­titie (afdeling ‘oudestijl’) te winnen.

In 1952 staken de New Orleans Seven van wal, nu eens met musici die níet allemaal uit Den Haag kwamen. Ook dit orkest – met onder anderen tekenaar Frits Müller op klarinet en de latere literator F.B. Hotz (1922-2000) op trombone – kreeg een grote populariteit (onder meer door een paar uitstekende ep’s) en won heel wat concoursen, waaronder de eerste AVRO Jazzcompetitie in 1954 en het eerste Loosdrecht Jazz Concours in 1958. Van de vele oudestijl-orkesten die in Nederland actief waren, verdienen ook de New Orleans Syncopators vermelding. Dit in 1954 door pianist Jan Burgers opgerichte orkest zag brood in het ‘verjazzen’ van liedjes als Wenn der Weisse Flieder, Tulips from Amsterdam, In der Grossen Stadt Zaltbommel en de eerste echte hit Midnight in Moscow. De puristen kregen er de rillingen van, het grote publiek vond het prachtig.

In de sector ‘soft swing’ ging het Miller Sextet voorop. Leider-gitarist Ab de Molenaar (1921-1985) begon al in 1938 in de muziek en formeerde achtereenvolgens de Two Mil­lers, het Miller Quartet, het Miller Quintet, het Miller Sextet en The Millers. Met Coen van Nassau (vib), Pia Beck (p), Ab de Molenaar (gtr), Jan Doedel (vl), Paul Schwippert (b) en met zang van Sanny Day, Pia Beck, Eddy Doorenbos en later Suzy Möller werd de groep zeer populair. Al in 1946 werden er plaatopnamen voor Decca gemaakt en liedjes als Chickery Chick, Gotta Be This Or That en My Baby Just Cares For Me werden hits.

Musici van naam die kortere of langere tijd deel uitmaakten van The Millers waren onder meer de saxofonis­ten Herman Schoonderwalt (1931-1997), Harry Verbeke en de Deen Frank Jensen, de pianisten Paul Ruys (1928-2001) en Roelof Stalknecht (1926-1995), en de drummers Cees See (1934-1985) en Tonny Nüsser. In 1961 werden The Millers ontbonden, maar ze zouden herhaaldelijk terugkomen.

Pia Beck verliet in september 1949 The Millers om zelfstandig furore te maken. In haar trio, dat veelal optrad in de Vliegende Hollander in Scheveningen (toen nog een echt uitgaanscentrum) speelden in de loop van de tijd musici als de drummers Johnny Engels jr. en Cees See, de bassisten Fred Loggen, Eddie de Haas, Henk Bosch van Drakestein (1928-1993) en Dick van der Capellen, en de gitaristen Carel de Vogel, Jan Blok (1924-1995) en Robbie Pauwels. In 1950 nam ze de plaat Pia’s Boogie op. Het werd een soort jazzvolkslied, dat iedere zichzelf respecterende schoolfeestjespianist moest kunnen spe­len. Ook pianisten als Hein van der Gaag en Rob Hoeke (1939-1999) stortten zich later met succes op de boogie woogie.

Pia Beck timmerde ook internationaal aan de weg. Ze trad op voor de Britse tv (1950), en speelde in de VS in Birdland, de Down Beat Club en voor het radiostation WNYC. Ze was in Neder­land regelmatig op de radio te beluisteren, maar haar hart trok naar Spanje waar ze in 1965 een eigen zaak in Torremolinos begon.

In Amsterdam woonde en werkte accordeonist Johnny Meijer (1912-1992). Zijn Swingwerk voor de radio, op de plaat en in Amsterdamse cafés was van hoog niveau en in 1953 werd hij in de Parijse Salle Pleyel tot ‘le Roi d’Accordéon’ gekroond. Meijer trok nimmer naar de VS om daar zijn loopbaan uit te bouwen, ‘de Am­sterdamse Jordaan was veel gezelliger’. Zijn Haagse collega Matthieu Schwartz, die bij The Millers had gespeeld, waagde in 1952 wel de sprong naar Amerika. Als Mat Mathews zou hij daar uitgroeien tot een gevierde jazz-accor­deonist.

Na de oorlog komt de bebop vanuit New York naar Nederland.

De bebop waait over

De Nederlandse combo’s die vanaf eind jaren veertig moderne jazz wilden spelen, baseerden zich in eerste instantie op Amerikaanse voorbeelden. Soms liep dat uit op vlakke imitaties, maar er waren ook groepen die kwaliteit toonden, zoals Rob Pronks Boptet met de broers Ack en Jerry van Rooyen op trompet, de Flamingo’s met Cees Smal (toen nog op altsax en klarinet) en drummer Joop Korzelius, het Atlantic Quintet met altist-klarinettist Arie Verhoef, pianist Wim Jongbloed (1929-1982) en drummer Tonny Nüsser, het Hera Boptet, het kwartet van pianist Ger van Leeuwen met tenorsaxofonist Kees Bruijn (1914-1997), en vanaf de tweede helft van de jaren vijftig vooral de Diamond Five.

De musici die de Diamond Five zouden vormen, kwamen voor een deel voort uit de Haarlemse Jig Rhythm Club (opgericht in 1946). Die band, met trompettist Dick Spieker (1920-2001) en Cees Smal (1927-2001), zette de jazz in Haarlem op poten. Door de vele jam-sessies die daar werden gehouden, vonden heel wat musici de weg naar het podium.

De Diamond Five traden oorspronkelijk op als The Dia­monds, maar de verwarring met het populaire zangduo The Blue Diamonds leidde tot te veel misverstand, vandaar de naamsverandering. Met Cees Smal (tp, ventiel-tb), Harry Verbeke (ts), Cees Slinger (p), Jacques Schols (b) en John Engels (d) groeide de Diamond Five uit tot een eersteklas hard-bop combo. Het vijftal koos als basis de nachtclub Sheherazade (kortweg de Zade) in Amsterdam. De Diamond Five namen uitstekende platen op en in 1963 volgde zelfs een optreden met het Concertgebouwor­kest in het Amsterdamse Concertgebouw. Filmer Louis van Gaste­ren was zo geïmponeerd door deze jonge musici dat hij begin jaren zestig een documentaire maakte met moderne Nederlandse jazz als onderwerp. De opkomst van de popmuziek leidde echter ook hier tot malaise. In 1962 moest de Sheherazade zijn deuren sluiten en in 1964 hieven de Diamond Five zichzelf op. Maar ze zouden terugkomen en vele jaren later nog steeds samenspelen.

Zangeres Rita Reys trad in 1942 de jazzwereld binnen via de band van Lex van Spall en zong daarna bij Ted Powder, Piet van Dijk en de combo van haar echtgenoot Wessel Ilcken. In de jaren vijftig kreeg zij de erenaam ‘Europe’s First Lady Of Jazz’, er volgde een tournee naar Engeland en zelfs een aantal optredens in de VS, waar ze zong en platen opnam met onder anderen drummer Art Blakey en de Jazz Messengers, en accordeonist Mat Mathews (1956-’57). Na de dood van Wessel Ilcken trouwde ze in 1960 met Pim Jacobs (die piano had gespeeld in het Wessel Ilcken Combo) en bouwde ze haar roem verder uit met concerten door heel Europa, zeer geslaagde langspeelplaten en een Edison (1961). Voor velen geldt zij als de belangrijkste Nederlandse jazz-zangeres.

De jazzscene in de jaren 50 en 60 werd bepaald door strenge codes.

Radio-orkesten

De Ramblers kwamen niet zonder kleerscheuren uit de oorlog. Hun leider Theo Uden Masman (1901-1965) had enige tijd problemen met de ‘zuivering’ wegens zijn activiteiten tijdens de bezetting. Met musici als de trompettisten George van Helvoirt, Jackie Bulterman, Ferry Barendse en Sem Nijveen, trombonist Marcel Thiele­mans, de saxofonisten Wim Poppink en de broers Kees en Tinus Bruijn, en drummer Kees Kranenburg was het orkest regelmatig op de radio te horen. Ook de platenproductie van de Ramblers bleef, naar Nederlandse begrippen, gigantisch. De band had een grote schare fans en boekte veel succes met stukken als Bouncin’ In Bavaria, Mambo Jambo, Donkey Serenade, Strike Up The Band en minder jazzy nummers zoals Sprookje Is Uit, Abelebebop en Mooi Holland.

Met de komst van de broers Ack en Jerry van Rooyen en Ado Broodboom (allen op trompet) en tenorsaxofonist Toon van Vliet (1922-1975) kreeg het orkest midden jaren vijftig opnieuw een paar stevige jazzimpulsen. Voor de liefhebbers waren vooral de nummers van de ‘Ramblers-combo’ op de radio de moeite waard. In 1955 stortten The Ramblers zich in een prestigieus project, een optreden met het Rotterdams Philharmonisch Orkest waarbij Rolf Liebermann’s Concerto For Jazzband And Symphonic Orchestra ten gehore werd gebracht.

In 1964 hield het orkest op te bestaan, het ging over in het VARA-dansorkest onder leiding van pianist Charlie Nederpelt (1920-1987). De manier waarop de VARA met het orkest en leider Theo Uden Masman omsprong was niet al te elegant. ‘De oude man’ werd behoorlijk hardhandig terzijde geschoven, had korte tijd nog een platenru­briekje maar stierf in 1965. Zo waren vlak na elkaar orkest en leider gestorven.

The Skymasters was een tweede radio-big band die het goed deed, eerst geleid door Pi Scheffer, later door altsaxofonist Bep Rowold (1912-1968) en nog later door tenorsaxofonist Sander Sprong (1920-1990). Het orkest werd geroemd om zijn saxofoonsectie maar maakte helaas slechts weinig platen.

Pianist Ger van Leeuwen had naast zijn kwartet een big band waarmee hij in de periode 1952-‘59 regelmatig voor de VARA-microfoon optrad. In zijn orkest zaten musici als trompettist George van Hel­voirt, de saxofonisten Cees Verschoor, Sander Sprong en Tinus en Kees Bruijn, gitarist Jan Mol, bassist Ger Daalhuyzen en drummer Cor van den Berg.

Een echte liefhebber was Boy Edgar (1915-1980), een muzikant die arts was geworden maar zich liever met jazz bezighield dan met medicijnen. Hij werd in 1960 leider-arrangeur van een big band met louter topnamen, opgebouwd rond de Diamond Five. Boy’s Big Band maakte twee lp’s (die zelfs in het toonaangevende Amerikaanse jazzblad Down Beat een recensie kregen) en was vooral befaamd door de buitengewone kwaliteit van de saxofoonsectie (met onder anderen Tinus Bruijn, Piet Noordijk, Theo Loevendie, Herman Schoonderwalt, Toon van Vliet en Harry Verbeke). Boy Edgar deed zulk goed werk voor de Nederlandse jazz dat hij in 1964 de Wessel Ilcken Prijs kreeg en in de jaren daarna menigmaal, met hulp van enige subsidie, met zijn orkest naar buitenlandse jazzfesti­vals (zoals het Franse Antibes) mocht afreizen. De belangrijkste Nederlandse jazzprijs werd een aantal jaren na Edgars overlijden omgedoopt tot Boy Edgar Prijs.

De oprichting van de Haagse Dutch Swing College Club was het startsein tot de geboorte van een groot aantal jazzclubs en studieclubs, voornamelijk in het westen van het land. Zo ontstonden in 1946 in Zaandam de Studieclub voor Jazzmuziek, in Amsterdam de Amsterdamse Jazz Sociëteit en in Den Haag de Nederlandse Studieclub voor Jazzmuziek. In 1948 volgden onder meer de Nederlandse Jazzclub in Den Haag en de Rhythm Club in de Amsterdamse Sheherazade.

In 1949 kwam het clubleven pas goed op gang: de Arnhemse Jazz Sociëteit, de Rotterdamse Jazz Sociëteit, de Storyville Club (Schiedam), de Haarlemse Jazz Club, de 45 Jam Club (Amsterdam) en de Alkmaarse Jazz Sociëteit werden opgericht. Jazz was ‘in’, er werd naar 78-toerenplaten geluisterd, er werden concertjes georganiseerd en een term als ‘junkshoppen’ (het op rommelmarkten speuren naar oude 78-toerenplaten) werd een begrip.

De concerten bleven niet beperkt tot privé-clubs. In 1946 werd in het Scheveningse Kurhaus een eerste klein festival geor­ganiseerd. De Britse trompettist-zanger Nat Gonella was één van de gasten. Het was in die tijd moeilijk om buitenlandse groepen naar Nederland te halen. Met het oog op de werkgelegenheid was dat alleen moge­lijk op basis van uitwisseling. Maar wie moesten wij naar de VS sturen om hier naar Amerikanen te kunnen luisteren? Toch druppelden in 1947 al, min of meer stiekem, wat Amerikanen ons land binnen, onder meer tenorsaxofonist Don Byas (die in Amsterdam zou komen wonen) en trombonist Tyree Glenn.

In 1948 maakte het à la Stan Kenton spelende Britse orkest van Vic Lewis veel indruk op de liefhebbers, maar het werd pas echt serieus toen in 1949 de All Stars van Louis Armstrong in Nederland concerteerden. In 1950 kwam de band van Duke Elling­ton optreden en werd ook in Amsterdam een echt jazzfestival georganiseerd. Gelegenheden als Sheherazade, de Cockpit en de Vliegende Hollander in Amsterdam en Caveau Tzigane in Den Haag werden plekken waar bijna wekelijks jazz kon worden gespeeld en waar na concerten van Amerikaanse groothe­den werd geprobeerd jam-sessies te organiseren.

Grote Amerikanen

Het concert van Lionel Hampton in maart 1956 wordt samen met de film ‚Rock Around The Clock’ (1956) met Bill Haley gezien als het begin van de emancipatie van de Nederlandse jeugd.

De grote namen kwamen steeds vaker naar Nederland: in 1952 Jazz At The Philharmonic, opnieuw Louis Armstrong, Sidney Bechet, Dizzy Gillespie en Big Bill Broonzy. In 1953 maakte de band van Stan Kenton een verpletterende indruk op de fans. Lionel Hampton veroorzaakte een jaar later sensa­tie door het publiek in de Amsterdamse Apollo-hal door de vloer te laten gaan. Er werd schande van gesproken en organisator Lou van Rees annuleerde op slag een aantal jazzconcerten die hij op stapel had staan. Maar blijvende schade richtte het Hampton-schandaal niet aan, want in het seizoen 1955-’56 kwamen alweer Louis Armstrong, Chet Baker, Jazz At The Philharmonic, Stan Kenton en zelfs nogmaals Lionel Hampton naar Nederland.

Twee concurrerende organisatoren waren zeer actief, Lou van Rees (1916-1993) en Paul Acket (1922-1992), en het nachtconcert werd een begrip. Een Amerikaanse grootheid speelde bijvoorbeeld om 20.00 uur in de Kurzaal in Den Haag en om 00.30 uur in het Amsterdamse Con­certgebouw. Die concerten waren bijna altijd uitverkocht.

In de periode 1947-1967 werden er in het Kurhaus en het Concertgebouw (nacht)concerten georganiseerd.

Ook de activiteiten rond de Nederlandse jazz groeiden. Zo organiseerde het dag­blad Het Parool in 1956 een Jazz Cavalcade in het Amster­damse Concertgebouw en begon in 1958 het eerste Loosdrecht Jazz Concours, dat alle andere jazzconcoursen in de schaduw zou stellen. In jachthaven Van Dijk te Loosdrecht werd op initiatief van zanger Max van Praag een jaarlijks terugkerend jazzconcours in concertvorm gestart. Musici die dit concours wisten te winnen haalden later veelal de top, zoals pianist Misha Mengelberg die in 1959 won en de winnaar van 1961, Louis van Dijk. Er werd ook driftig geëxpe­rimenteerd, zo zou Willem Breuker de jury in latere jaren een paar keer flink op het verkeerde been zetten. Na Het Parool organiseerde ook de krant Het Vrije Volk een groot jazz-evenement in het Amsterdamse Concertgebouw.

Vanaf 1961 kwam de klad erin. Het aantal actieve jazzclubs in Nederland daalde onder druk van de opkomende popmuziek tot beneden de dertig. De Amsterdamse Sheherazade sloot in 1962. Ook bekende clubs als de Eindhovense Jazz Sociëteit, de Dordtse Jazz Sociëteit en de Swing Society Zaanstreek konden het niet langer bolwerken en stopten in 1963. Het aantal concerten liep sterk terug evenals het aantal bezoekers. Naast de pop en de beat was er als concurrent ook het Europa Cup-voetbal. Een concert van Louis Armstrong in 1965 trok bijvoorbeeld maar een paar honderd bezoekers doordat gelijktijdig de finale Internazionale-Benfica op de tv werd uitgezonden.

Begin jaren 60 krijgt de jazz het moeilijk, de popmuziek komt op.

Toch was niet alles kommer en kwel. In 1965 startte het blad Doctor Jazz de nog steeds voortdurende reünies voor oudestijl-liefhebbers, en de Stichting Jazz in Nederland maakte zich sterk voor de modernere jazzstromingen.

Vrij snel na de bevrijding begon de radio weer met jazz, zij het dat het aantal uren dat eraan werd gewijd nog zeer gering was. In 1946 werden voor de AVRO-microfoon door Gilbert en Pous­tochkine geschreven teksten voorgelezen, die later in het huisorgaan van de Dutch Swing College Club werden afgedrukt. Uiteraard ging het hier bijna uitsluitend over de oudere jazzvormen. Op 6 juni 1947 kregen ook de modernere jazzuitingen hun kans, want op die datum startte Pete Felleman (1921-2000) zijn radioprogramma Swing and Sweet voor de VARA-microfoon. Felleman draaide jazz waar Nederland tot op dat moment hoogstens vagelijk over had ge­hoord. Via op Amerika vliegende piloten zette Felleman een heel netwerk op om aan de nieuwste Amerikaanse jazzplaten te komen.

Pete Felleman (1921-2000) was vanaf 1947 de eerste diskjockey in de geschiedenis van de Nederlandse radio. In zijn programma Swing & Sweet waren de Millers, opgericht in 1940, vaste gasten.

In 1949 zag een belangrijk Nederlands jazzblad het licht: Rhythme, onder redac­tie van J. van Haaren en Paul Acket. Het vriendelijke, niet erg kritische blad zou het tot 144 num­mers brengen en in 1961 (weer onder druk van de pop) de geest geven. In 1950 probeerden Pete Felleman en Phonograms publi­citeitschef Rolf ten Kate het met Swing & Sweet, maar dit blad was na vijf nummers alweer verdwenen. Philharmo­nic had, ook vanaf 1950, iets meer succes; dit blad hield het drie jaar uit. Rhythme wist de markt te veroveren doordat de redactie, heel slim en zakelijk, ook wat minder jazzachtige zaken (zoals een losse foto van filmster Doris Day) in het blad opnam.

In de door verschillende jazzclubs uitgegeven blaadjes werd soms harde strijd gevoerd tussen puristen (lief­heb­bers van oudestijl-jazz) en modernisten, maar begin jaren vijftig had iedereen zo ongeveer zijn eigen kamp gevonden. Toch sloeg de vlam af en toe nog heftig in de pan. Zo schreef jazzcriticus Michiel de Ruyter (1926-1994) in 1956 in Het Paroolnaar aanleiding van een concert door de Britse oudestijl-trombonist Chris Barber: ‘artistiek gezien moet Barbertje hangen’. Een lawine van ingezonden brieven was het gevolg, mede doordat een groot aantal lezers over de woorden ‘artistiek gezien’ heen­las. Jaren later, na weer een Chris Barber-concert, kwamen er opnieuw brieven binnen, nu om toe te geven dat De Ruyter destijds eigenlijk wel gelijk had gehad.

In 1951 kreeg Michiel de Ruyter een radioprogramma, AVRO’s Jazzsociëteit. Het was het begin van een radio-loopbaan van tientallen jaren, waarin hij als ‘de stem van de jazz’ een begrip werd in Nederland. Ook Aad Bos en oud-orkestleider Klaas van Beeck (1903-1979) zouden later veel jazzliefhebbers via de radio aan zich verplichten.

Michiel de Ruyter (1926-1994 wordt de godfather van de Nederlandse jazz genoemd. Hij stelde voor de radio honderden programma’s over jazz samen.

Moderne grammofoonplaten

De belangrijkste vorm van ‘contact met de jazz’ was natuurlijk de grammofoonplaat. Tot het begin van de jaren vijftig was dat de breekbare 78-toerenplaat geweest, maar in 1952 verschenen de eerste lp’s in Nederland, het Carnegie Hall Concert van Benny Goodman en de Bessie Smith Story. De eerste lp’s met Nederlandse jazz werden op 21 mei 1953 tijdens een concert in het Rembrandt Theater te Eindhoven opgenomen. De muziek van onder anderen trompettist Nedly Elstak (1931-1989), altsaxofonist Tony Vos en de tenoristen Jos van Heuverzwijn (1929-1963) en Toon van Vliet verscheen op twee 25 cm-lp’s onder de titel Jazz At The Kurhaus.

In 1953 wordt de moderne Nederlandse jazz voor het eerst op de plaat geregistreerd.

Twee jaar later, in januari 1955, startte Phonogram de lp-serie Jazz Behind The Dikes, met onder anderen Rita Reys, Wessel Ilcken, altist Tony Vos en de pianisten Stido Alström (pseudoniem van Dits Sakkers), Frans Elsen en Rob Madna (1931-2003). In diezelfde maand maakte de concurrerende platenmaatschappij Bovema ook opnamen van moderne Nederlandse jazz (onder anderen Rob Pronk, Rob Madna, de gebroeders Van Rooyen en Wessel Ilcken). Onder de titel Jazz From Holland werden deze vertolkingen eerst op 78-toerenplaten en in 1956 op een 25 cm-lp uitgebracht.

Frans Elsen (1934-2011) was een groot kenner van de theorie van de bebop. Hij was een van de eerste docenten in het jazzonderwijs aan de Nederlandse conservatoria.

Langzaam maar zeker kregen Nederlandse uitgevers oog voor het belang van de jazzmuziek. Gilbert en Poustochkine kwamen in 1947 met een nieuwe editie van hun vooroorlogse Jazzmuziek: Inleiding tot de volksmuziek der Noord-Amerikaanse negers. Mr. C. Poustochkine voegde daar in hetzelfde jaar zijn brochure Het vraagstuk der Jazzmuziek aan toe. Hans de Vaal publiceerde in 1948 Jazz: Van oerwoudrhythme tot Hollywoodsymphonie.

In de jaren vijftig kwam zowaar een bescheiden stroompje jazzboeken op gang: Adriaan Heerkens, Hans Rookmaaker, Hans van Assenderp, Dick Hendrikse, Rolf ten Kate, Ed van der Elsken, Paul Breman en Ton de Joode kwamen met jazzboeken van wisselende kwaliteit voor de dag. De bundel 'Zes over Jazz' bevatte zelfs een grammofoonplaatje met muzikale voorbeelden, waarop Charlie Parker schitterde door afwezigheid; hij zat bij een andere platenmaatschappij.

Ook Nederlandse dichters lieten zich inspireren door de jazz. Zo schreef Lucebert Monk, Ghost of a Chance (Lester Young) en Land’s End (Clifford Brown), en Simon Vinkenoog Song for Billie Holiday enThelonious Monk. Remco Campert en Hugo Claus lieten zich evenmin onbetuigd.

Het blad Rhythme bleef actief en organiseerde ook plaatopnamen met de winnaars van de eigen polls, de Rhythme All Stars. In 1963 werd Doctor Jazz ten doop gehouden, het blad voor oudestijlliefhebbers dat in 2003 zijn veertigjarig jubileum zou vieren. Pim Jacobs wekte veel belangstelling voor jazz door zijn schoolconcerten en begon in 1965 zijn tv-programma Dzjes Zien. In 1965 verscheen ook het eerste nummer van een zich wèl kritisch opstellend jazztijdschrift met de verwarrende naam Jazzwereld (voor de oorlog bestond het maandblad De Jazzwereld).

Nieuwe wegen

De eerste tekenen dat de moderne Nederlandse jazzmusici zich niet meer voor honderd procent spiegelden aan de grote Amerikaanse voorbeelden, werden omstreeks 1958 zichtbaar. In de jaren vijftig werkten diverse muzikanten al in het buitenland, vooral via een Duits circuit van Amerikaanse legerbases (zoals The Millers in Garmisch-Partenkirchen). Bassist Eddie de Haas speelde in 1952 in Frankrijk met trompettist Bill Cole­man en zou vanaf 1957 als Edgar O’Hare met veel groten in de VS werken. Pianist Nico Bunink speelde bij Charles Mingus (1959, 1960). Ook Rob Pronk en de broers Ack en Jerry van Rooyen maakten in het buitenland carrière.

Na de bebop zochten Nederlandse jazzmuzikanten naar nieuwe wegen.

In Nederland waren musici als Theo Loevendie (knap arrangeur van Romance in Jazz voor de VARA-microfoon), Nedly Elstak (vooruitstrevend met workshops) en drummer Cees See actief. Pianist Misha Mengelberg won in 1959 het Loosdrecht Jazz Concours en drummer Pierre Courbois richtte in 1961 de Original Dutch Free Jazz Group op.

De jazz in Nederland was op een kruispunt beland. Enerzijds was er de invloed van pop en beat (Beatles, Rolling Stones, een jonge generatie die dansen boven luisteren stelde) en een steeds verder terugzakken van de gevestigde jazzorde (orkes­ten, clubs, concerten, muziekbladen). Anderzijds begon een nieuwe revolutionaire stroming te groeien, die tot ver buiten de Nederlandse grenzen zou reiken.

Verder lezen in het volgende hoofdstuk: 1966-1974

Bedankt

Deze pagina is mede mogelijk gemaakt met de bijdragen van Nederlands Jazz Archief en Wim van Eyle.

Nederlands Jazz Archief